Mensen van het welbehagen

Doodlopende Weg

Foto van Jan de Jong

Ieder jaar kom ik precies te laat binnen, tijdens het openingslied, zodat er alleen nog plek is in de hoge banken helemaal voorin, waar vroeger de ouderlingen zaten en waar nog steeds de zon ‘s morgens op schijnt.

Ieder jaar heb ik tijdens de dienst zodoende een weids overzicht over alle kerkgangers. En ieder jaar is dat bijna hetzelfde. Links in het koor zit het vergrijzende koor, in het ja-dat-kan-best-hoor-zwart, met rode stropdas of corsage, ieder jaar met weer wat mannen minder. Recht tegenover mij de dominee, witte toga, geel-witte handgeweven stola, stem als een kerkklok.

Op de derde bank van voren de drie zusters, of vriendinnen, glimmend en soms zelfs giechelend. De voorste rij achter de herenbank, waar je niets ziet: een gezin dat voor het eerst komt en nu weet waarom daar nog plaats was. Rij zeven bij het gangpad: de oude koster met zijn vrouw. Te hoogbejaard om mee te bewegen met het opstaan-zitten-opstaan-zingen van de dienst, of met een wereld waarin gereformeerden in dezelfde kerk mogen als zij, berusten ze met argusogen in het geredder van de nieuwe (sinds twintig jaar) koster.

We komen allen te samen, ieder jaar. Om te vieren dat het nu weer lichter wordt, dat er misschien ergens iets goedkomt, om even te delen in wat alle ouders voelen als hun kindeke wordt geboren op aard’. De hoop, de verlichting, de glo-ho-ho-horia. Het feest dat al duizend jaar op deze plek, in precies dit gebouw wordt gevierd.

En hoe jubelender de vreugde, hoe meer mijn blik terugdwaalt naar de twaalfde rij, net onder het raam. Het kaarsrechte, degelijk geruite echtpaar uit het grote huis aan het diep. Zij glimlacht altijd een beetje, hij heeft de waakzame boerenblik die je hier in de velden veel ziet. Vijfentwintig jaar geleden begonnen in het  dorp de telefoons te rinkelen: ‘Weet jij misschien meer? Ik hoor net, en ik hoop zo dat het niet klopt…’
Twaalf was hun zoon, een hersenbloeding. Ik was ook twaalf, hij was de eerste dode van mijn leeftijd. Ik zag de stilte in de zwarte ramen van het huis. Soms bleef ik onzichtbaar staan kijken, niet wetend waar ik mijn ontzag moest laten.

Je baart een kind, het zingt een liedje en valt neer. God, wat zou ik kwaad zijn, als ik hen was, god wat ben ik kwaad.
Maar zij glimlacht, zijn ogen vorsen, beiden zetten ze vol overtuiging Stille Nacht in. Hulpeloos kind, heilig kind. Lang verwacht. Levenslang gemist.

Ze zitten er ieder jaar weer, zingend over een zoon die enkel werd geboren om te sterven. Zij vieren Kerst, ook al weten ze dat het ooit Goede Vrijdag wordt. Waarom?

Daarom juist?

Ieder leven moet je vieren. Hun zoon heeft bestaan, maakte een moeder van haar, een vader van hem. Het vreselijke heft het wonderlijke niet op. Het vreselijke zorgt alleen dat je het wonder veel te goed voelt. Aan het verlies ken je de hoop.

Ik hoop zo dat ze daarom daar zitten, in die twaalfde bank. Niet omdat het zo hoort, niet omdat ze niet anders weten, niet alleen omdat hier de mensen zijn die om hen heen zijn blijven staan. Maar omdat ze denken aan hun zoon, en alle andere levens die begonnen met licht en hoop. Mensen van het welbehagen.

Ik zal het ze nooit durven vragen. Dat kan ook niet: ze zijn ieder jaar als eerste verdwenen, in hun wolk van stilte op weg terug naar het lege huis.

 

 

 
----